Rasstandaard van de Mediterrane miniatuurezel

De Mediterrane Miniatuurezel en zijn omschrijving volgens het fokreglement

De rasstandaard van de Mediterrane Minatuur ezel

De rasstandaard van de Mediterrane Miniatuur Ezel, zoals deze beschreven wordt door de National Miniature Donkey Association (NMDA).

De leeftijd kan invloed hebben op vergelijking met de standaard. Daarom worden bepaalde punten, die bij jonge dieren opvallen apart genoemd. Het is altijd wenselijk fokdieren uit te kiezen wanneer zij volwassen zijn, ook al kan men op sommige punten bij jonge dieren al herkennen in hoeverre zij al dan niet aan de standaardeisen voldoen. 

De miniatuur ezel moet aantrekkelijk en sound zijn, sterk en stevig. Het dier moet evenwichtig zijn, doordat de verschillende onderdelen met elkaar harmoniëren en zo een compleet beeld tonen. Het moet een levendige uitdrukking hebben en een persoonlijkheid, merries moeten een vrouwelijke uitstraling hebben en iets verfijnder zijn dan hengsten. Het beendergestel moet sterk zijn en in verhouding met de maat van de ezel en de spierontwikkeling.

Op een goede foto van een staand dier, zou het, wanneer de verhoudingen perfect zijn, moeilijk moeten zijn om te zien of het een miniatuur ezel of een grote maat betreft. Het Amerikaanse stamboek accepteert een maximum schofthoogte van 36 inches (91,44 cm).

Zijaanzicht van de ezel

Het zijaanzicht van de ezel moet een evenwichtig beeld vertonen. Van de zijkant gezien moet het dier gezien worden als drie gelijke delen – het eerste deel, hoofd, nek en schouders. (de voorhand). Het lichaam (de middenhand) moet gelijk zijn aan de voorhand en de achterhand als laatste derde deel, brengt het geheel in evenwicht.

Het hoofd

Het hoofd moet in verhouding zijn met de rest van het dier. Een korter hoofd verdient de voorkeur boven een lang hoofd. Het voorhoofd moet breed zijn met ruimte tussen de ogen. De neus moet toelopen met stevige gladde lippen en grote open neusgaten. Ogen moeten groot, donker en helder zijn, symmetrisch en met een vriendelijke uitdrukking. Oren ziet men graag lang, maar in verhouding tot het hoofd, rechtop aangezet en attent gedragen. Het hoofd moet evenwichtig zijn en omhoog gedragen. Een groot hoofd, dat niet in de juiste verhouding staat tot het lichaam, kan duiden op dwerggroei en moet vermeden worden.

De kaak en het gebit

Een naar voren uitstekende of terugwijkende kaak, kan het eten bemoeilijken en een aanwijzing zijn voor een incorrect gebit. De tanden van boven- en onderkaak moeten bij volwassen dieren perfect aansluiten. Overbeet of onderbeet zijn niet toegestaan. Een gebitsfout van maximaal ¼ inch (6 mm) is toegestaan voor opname in het stamboek, maar moet indien enigszins mogelijk vermeden worden bij fokdieren.

De nek

De nek moet sterk en recht zijn, in verhouding met het hoofd en het lichaam. Niet te kort en dik of te lang en zwak lijkend. Veel onderhals is een fout. De bovenbelijning van de nek moet langer zijn dan de onderbelijning. Veel ezels vertonen teveel onderhals wanneer het hoofd in een onnatuurlijke hoge houding wordt gedwongen, maar in een natuurlijke houding of bij het grazen moet de nek recht zijn, met een langere bovenbelijning. Jonge dieren vertonen soms onderhals. Daar de nek nog niet ontwikkeld en voldoende bespierd is, zoals bij een volwassen dier, zullen vele jonge ezels iets onderhals tonen. Jonge dieren echter, die in alle houdingen (hoofd omhoog, omlaag of gestrekt) zeer veel onderhals vertonen, zullen deze eigenschap ook als volwassene vertonen.

De schouder

De schouder is steiler dan bij een paard, maar niet overdreven recht. De ideale schouder is lang en met een hoeking van 45 tot 50 graden.

De borstdiepte

De borstdiepte moet voldoende zijn met een goede ribbenwelving. Borstbreedte moet aantoonbaar zijn tussen de voorbenen en ook in de ronding van de ribben in het vooraanzicht
van het dier. Dieren die zeer nauw van borst zijn, zien er lang en smal uit, met dicht bij elkaar staande voorbenen. De zijden zijn vlak in plaats van rond, en dit is een fout

De rug

De rug van de ezel moet sterk en compact zijn, met een lichte curve bij de schoft. De rug mag niet doorgezakt of hellend zijn. De bovenbelijning moet recht zijn of licht hellend van de schoft naar een korte horizontale rug en lendenen en dan naar een matige lange en hellende croup en goed aangezette staart. Karperrug of bolle rug zijn ruggen die een opgaande ronding vertonen in plaats van een neergaande. Ezels die geagiteerd zijn, zullen vaak met een bolle rug gaan staan, maar dit mag niet het geval zijn in rust. Lange zwakke ruggen zijn een fout bij merries, daar deze de extra belasting tijdens de dracht niet verdragen en door kunnen zakken. Een doorgezakte rug bij een merrie waarmee jarenlang gefokt is, is niet noodzakelijkerwijs een fout, behalve wanneer die eigenschap erfelijk is en een negatieve invloed heeft op het gangwerk en het evenwicht. Een te lange rug bij een miniatuur is ook schadelijk voor de algehele verhouding tussen hoogte en lengte.

Jonge ezels hebben vaak ronde “bolle buikjes” totdat zij volwassener worden. Dit kan veroorzaakt worden door verschillende dingen, soms is het erfelijk, soms lijkt het maar zo, bijvoorbeeld door het lange veulenhaar. Jonge dieren met te ronde lijven die niet in verhouding staan tot de stevigheid van de benen (een groot lichaam en dunne beentjes) moet men zorgvuldig evalueren als volwassenen, voordat men hen voor de fok gebruikt.

De lendenen

De lendenen die zich net vóór de heupbeenderen bevinden, moeten kort, breed en goed bespierd zijn. Zij moeten overgaan in een licht hellend stuitstuk. Lange zwakke lendenen verzwakken ook de rug. Vergeleken bij een paard zijn de croup en het stuitstuk scherper en meer hellend. De croup is hoger en het achterstuk smaller. Een korter totaalbeeld is prima, maar een scherpe te hoge croup, die gevolgd wordt door een scherpe dalende lijn naar de staartaanzet is een ernstige fout. Dit soort ezels heeft weinig kracht in de achterhand en het kan ook betekenen, dat bij een merrie het bekken te klein en te nauw is, een nadeel bij het werpen.

De benen

De benen moeten een vierkant vormen en van alle kanten bekeken recht zijn, met een voldoende beendergestel in verhouding tot het dier, om kracht en evenwicht te geven. Benen met naar binnen gedraaide voeten of koehakkig van achteren kunnen een nadelige invloed hebben op het gangwerk en zwakker zijn dan rechte benen, doordat zij ongelijk belast worden.

De totale hoogte van het dier (van schoft tot de grond) moet bestaan uit twee gelijke delen: het eerste de diepte van het lichaam (schoft tot buik) het tweede van de elleboog tot de grond. Wanneer het voorbeen buiten proportie kort is kan dit wijzen op dwerggroei en dit is een ernstige tekortkoming, die niet mag voorkomen bij dieren waarmee gefokt wordt.

Miniatuur ezels zijn er in alle kleuren, maar grijs/beige en donkerbruin komen het meeste voor. Door en door zwart, alle soorten wit, gevlekt en verschillende tinten vos-kleurig kan men tegenkomen. Gespikkelde muskaatschimmel is zeldzaam bij de miniatuur, maar staat wel beschreven. Blesjes komen vaker voor bij de miniatuur dan bij andere soorten ezels.

De standaard van de  National Miniature Donkey Association (NMDA) verklaart, dat de volgende fouten onaanvaardbaar zijn bij fokdieren. Dieren met één van de volgende fouten moeten niet voor de fokkerij worden ingezet:

Cryptorchide: - Een volwassen hengst bij wie na twee jaar één of beide testikels niet zijn ingedaald in het scrotum noemt men Cryptorchide. Alle Cryptorchide dieren moeten worden gecastreerd. Gebruik deze dieren ook niet voor het fokken van muildieren. Het is een erfelijke eigenschap en men riskeert, dat het muildier een zware operatie moet ondergaan bij castratie om de niet ingedaalde testikel te verwijderen.

Dwerggroei: Een dwergachtig dier vertoont een in de groei belemmerd, gedrongen uiterlijk. Zij kunnen veelvuldige afwijkingen aan de benen hebben met grote, grove en hobbelige kniegewrichten of korte dikke onderbenen. Sommige dieren vertonen niet al deze trekken. Dieren die de trekken van dwerggroei vertonen zijn onaanvaardbaar als fokdieren.

Zeer ernstige koehakkigheid: Koehakkigheid (de hakken te dicht bij elkaar geplaatst) belemmert de beweging en dus het functioneren van het dier.

Zeer ernstige gebitsafwijking: tanden die meer dan ¼ inch (6 mm) afwijken van een tanggebit hebben invloed op de conditie van een dier en schaden de gezondheid en tenslotte de levensduur van het dier.

 


Figuur A:
 vertoont het ideaalbeeld van de Miniatuur Ezel, zoals dit beschreven wordt in de standaard (NMDA) De drie onderdelen van het dier (voorhand, middenhand, achterhand) zijn in evenwicht met en gelijk aan elkaar en de schofthoogte is dicht bij de verhouding 1 : 1 tussen lichaam en beenlengte. Het hoofd is zuiver van lijn met een lichte uitholling, de ledematen zijn recht en staan correct onder het lichaam. De rug is kort en recht, met een goede croup en een goed achterstuk.

Figuur B: is een Miniatuur Ezel die wel redelijk goed in elkaar zit, maar die de fijne trekjes mist, die we bij A zien. Het hoofd is wat grover, de nek is wat minder goed aangezet aan lichaam en schoft. De rug is langer en men ziet dat er sprake is van koehakkigheid. Het dier is zwaar van lichaam, maar de benen hebben niet de juiste verhouding, zijn dunner en lichter van beendergestel dan wenselijk.

Figuur C: is een miniatuur ezeltje, dat gezien moet worden als alleen maar een huisdiertje. Het evenwicht is helemaal zoek, er is geen symmetrie in de bouw. De lendenen zijn ook te zwak, iets dat een ernstige fout is bij Miniatuur Ezels.

Figuur D: is een ezel met dwerggroei Dit type dier is niet aanvaardbaar als fokdier.

Hoewel de hoogte misschien wel onder het maximum blijft, zijn de onmiddellijk zichtbare korte onderbenen een van de ergste fouten, die een ezel kan hebben. Ook andere problemen met erfelijkheid en bouw kunnen met dwerggroei in verband gebracht worden. Het hoofd is grof en vaak te groot. De rug is vaak opgetrokken, of, zoals hier, veel te lang en wat hellend, met zwakke lendenen. De croup is duidelijk hoger dan de schoft, waarbij de langere achterbenen en stuitstuk de indruk wekken van “hazenpoten”.

vertaling door mw. M.C.Rompelman-Mijnlieff

Biezenmortel, 10 oktober 2001.

Naar boven